Hoe rooster je deeltijders en voltijders verhoudingsgewijs even lang in?

De jaarlijkse arbeidsduur is het product van de wtf en de 1659 uur. Een voltijder heeft dus een jaarlijkse arbeidsduur van 1,0 x 1659 = 1659 uur. In 40 schoolweken worden bij een voltijder 40 x 40 uur plaats- en tijdgebonden ingeroosterd en blijven er 59 arbeidsuren over. Dat een voltijder daarmee ook 59 uur minder zou werken, is een misverstand.

De plaats- en tijdgebonden inroostering van de arbeidsuren

Hieronder wordt herhaaldelijk gesproken over de plaats- en tijdgebonden arbeidsuren. Wat bedoelen we daarmee?

Hiermee worden de arbeidsuren bedoeld zoals zij (automatisch) worden ingeroosterd op basis van het verdelingsschema van de 40 arbeidsuren, zoals je dat zelf hebt ingevuld op het eerste werkblad lesurenberekening. Ieder dagdeel telt dus voor een voor iedereen gelijk aantal arbeidsuren.

Overigens zijn ook deze uren in werkelijkheid niet helemaal plaats- en tijdgebonden, want alleen de lestijden en de afgesproken aanwezigheidstijden worden in principe plaats- en tijdgebonden binnen de schoolmuren doorgebracht. Een deel van elke werkdag wordt dus niet plaats- en tijdgebonden gewerkt.
 

De inroostering van voltijders

Dat er bij voltijders 59 of meer arbeidsuren oningeroosterd blijven, verandert niets aan de berekende jaartaak van 1659 uur. Alle 5 taakonderdelen, van duurzame inzetbaarheid t/m de overige taken. tellen tezamen altijd 1659 uur, en bij deeltijders dit aantal naar rato van de aanstelling (wtf).

In principe worden de uren van alle taakonderdelen, met uitzondering wellicht van de taakonderdelen d.i. en professionalisering, gevuld met activiteiten, zoals de ingeroosterde lestaak, het voor- en nawerk en de overige taken. En bij de overige taken worden de uren gespecificeerd in rubriek C op de tweede pagina van elk teamlidblad.

 

Waar en wanneer veel activiteiten worden uitgevoerd is niet van belang

Behalve de lestaak en een paar activiteiten die onder overige taken vallen, zoals bijv. het bijwonen van studiedagen en vergaderingen, is het eigenlijk niet van belang waar en wanneer de meeste activiteiten worden uitgevoerd. In feite is alleen de kwaliteit van de uitvoering van belang en niet waar en wanneer die plaats vindt.

Wanneer voltijders en deeltijders op basis van hun vaste werkdagen (+ een eventuele extra inroostering van enkele dagen in de zomervakantie) iets minder arbeidsuren plaats- en tijdgebonden blijken te zijn ingeroosterd, kan dat dus voor kennisgeving worden aangenomen.

 

Deeltijders kunnen wél volledig worden ingeroosterd

Tussen voltijders en deeltijders is echter wel een verschil: deeltijders kunnen sinds 2018 wekelijks méér arbeidsuren worden ingeroosterd dan hun aanstellingsuren, zodat op basis van hun vaste werkdagen hun jaarlijkse arbeidsduur vrijwel geheel (of zelfs méér) plaats- en tijdgebonden kan worden ingeroosterd.

Wanneer deeltijders méér arbeidsuren plaats- en tijdgebonden blijken te zijn ingeroosterd dan hun jaarlijkse arbeidsduur volgens hun aanstelling (wtf x 1659), is er maar één oplossing: de teveel ingeroosterde uren zullen moeten worden vrijgeroosterd in échte vrije uren of dagen).

 

Ook de arbeidsuren van deeltijders behoeven niet volledig plaats- en tijdgebonden te worden ingeroosterd

Wanneer deeltijders op basis van hun vaste werkdagen minder arbeidsuren zijn ingeroosterd, is het net als bij voltijders meestal niet nodig deze uren alsnog extra in te roosteren op zogenoemde ‘terugkomdagen’. Alleen wanneer er in vergelijking met de voltijders onevenredig veel niet plaats- en tijdgebonden uren overblijven, is het redelijk deze alsnog extra op ‘terugkomdagen’ extra in te roosteren.

De vraag hierbij is dan natuurlijk hoevéél arbeidsuren in dat geval alsnog extra worden ingeroosterd.

 

Het inroosterpercentage van de voltijders

Ter beantwoording van dit probleem zou je het inroosterpercentage van de voltijders op jouw school als referentiepunt kunnen nemen. Dus als de arbeidsuren van een voltijder (inclusief de extra dagen in de zomervakantie) voor 96,5% zijn ingeroosterd, zou je dit inroosterpercentage ook kunnen aanhouden bij de deeltijders.

Wanneer je nu op het eerst werkblad Lesurenberekening in rubriek G het inroosterpercentage van de voltijders invult, zie je naast rubriek H op het teamlidblad precies het aantal arbeidsuren volgens het inroosterpercentage van de voltijders. Wanneer dit percentage is ingevuld wordt in de rubrieken E en F de uit- of inroosterruimte op basis van het ingevulde percentage berekend. Je hoeft dus zelf nooit te berekenen hoeveel een deeltijder nog extra kan worden uit- of ingeroosterd.

 

De relatie tussen de arbeidsuren en de lesuren

Het is belangrijk dat je je realiseert dat bovenstaande niets te maken heeft met de inroostering van de lesuren. Het eventueel meer of minder inroosteren van arbeidsuren heeft dus geen effect op het aantal ingeroosterde lesuren!

Meer lesuren, maar minder arbeidsuren ingeroosterd
In veel gevallen blijkt na de eerste inroostering (dus op basis van de vaste werkdagen) dat er lesuren ‘teveel’ en arbeidsuren ‘te weinig’ zijn ingeroosterd. Wanneer de leerkracht dan niet bereid is om méér lesuren te geven dan zijn maximale lestaak volgens zijn aanstelling (wtf x 940), zullen deze teveel ingeroosterde lesuren moeten worden uitgeroosterd in rubriek E. Dit hoeven dan natuurlijk geen vrije dagen te zijn, want van een overschrijding van de jaarlijkse arbeidsduur is in dit geval geen sprake.

Meer lesuren en meer arbeidsuren ingeroosterd
De teveel ingeroosterde arbeidsuren moeten worden vrijgeroosterd in echte vrije uren of dagen. Te geven lesuren op deze vrijgeroosterde dagen worden uiteraard ook uitgeroosterd. Blijven er daarna dan toch nog teveel ingeroosterde lesuren, dan kunnen deze in overleg zo worden gelaten of extra uitgeroosterd, maar dit zijn dan geen vrije dagen.

 

Hoe ver ga je bij de toepassing van de evenredige inroostering?

Deeltijders kunnen op basis van hun vaste werkdagen mínder arbeidsuren ingeroosterd zijn dan hun jaarlijkse arbeidsduur volgens hun aanstelling, maar méér dan de inroostering op basis van het inroosteringspercentage van de voltijders.

Wanneer dan nog een aantal arbeidsuren wordt uitgeroosterd om het inroosterpercentage in overeenstemming met dat van de voltijder te brengen, zouden dit dan echt vrij te roosteren uren moeten zijn. Dit gaat wellicht wat ver, temeer daar deze verhoudingsgewijze inroostering binnen de CAO-PO in het geheel niet genoemd wordt en dus ook geen verplichting is.

Het is dus belangrijk om bij het toepassen van de evenredige inroostering van de arbeidsuren goed af te spreken in welke gevallen deze wél of niet gebruikt wordt.

 

Op elk teamlidblad zal nu naast rubriek H te zien zijn hoeveel arbeidsuren van dit teamlid moeten worden ingeroosterd om verhoudingsgewijs even lang als een voltijder te zijn ingeroosterd. In deze voorbeelden dus 96,4% van de jaarlijkse arbeidsduur.

 

In bovenstaand voorbeeld is de deeltijder op basis van de vaste werkdagen en inclusief enkele extra dagen in de zomervakantie, aanvankelijk 66 uur minder ingeroosterd dan zijn/haar jaartaak van 830 uur. Ernaast is te zien dat wanneer dit teamlid 800 arbeidsuren zou worden ingeroosterd, deze verhoudingsgewijs even lang ingeroosterd zou zijn als een voltijder op deze school.

 

Op het teamlidblad zijn vervolgens in rubriek F 36 arbeidsuren extra ingeroosterd, waardoor deze deeltijder nu met 800 ingeroosterde arbeidsuren verhoudingsgewijs even lang plaats- en tijdgebonden is ingeroosterd als een voltijder.

In dit voorbeeld gaat het om een deeltijder die in vergelijking met een voltijder mínder arbeidsuren was ingeroosterd, welk verschil met de extra inroostering van ongeveer 4 werkdagen (32 á 34 uur) is opgelost. In veel gevallen zullen deeltijders verhoudingsgewijs echter méér arbeidsuren zijn ingeroosterd dan voltijders.

 

De inroostering van verlofopnemers

De verhoudingsgewijze inroostering is vooral van belang voor voltijders die een verlof duurzame inzetbaarheid opnemen. Onderstaand voorbeeld maakt dat duidelijk.

Een voltijder neemt 170 uur verlof op, waarna de maximale arbeidsduur 1489 wordt (1659 – 170).
Van de oorspronkelijke arbeidsduur van 1659 uur werd jaarlijks ongeveer1599 plaats- en tijdgebonden ingeroosterd.

De nieuwe arbeidsduur van 1489 uur kan echter nu wél volledig plaats- en tijdgebonden worden ingeroosterd, zodat in vergelijking met de situatie vóór de verlofopname in de praktijk slechts 110 uur (1599 – 1489) verlofuren overblijven! In plaats van de ongeveer 20 verlofdagen (170 / 8,5), blijven er slechts 13 over (1599 / 8,5).

Wanneer nu het inroosterpercentage van de voltijder wél wordt aangehouden blijft het aantal verlofdagen ongeveer 20!

 

De afdruk van het teamlidblad

Bij het afdrukken van het teamlidblad wordt het blauwe informatievakje naast rubriek H niet afgedrukt.

Het tonen van het inroosteringspercentage en het berekende verschil in rubriek H en I kan (op het eerste werkblad Lesurenberekening) aan of uit worden gezet. Om bij het invullen van de planner de inroosterresultaten te kunnen beoordelen, kunnen beide het beste aan staan en, indien dat gewenst wordt, vóór het afdrukken uit worden gezet.

Print Friendly, PDF & Email

TaakberekeningPO gebruikt alleen cookies voor statistische gegevens over het websitebezoek