De opbouw van de jaartaak in het PO

De opbouw van de jaartaak is afhankelijk van het aantal ingeroosterde lesuren en het gekozen percentage van de opslagfactor. Om de samenhang tussen de 4* taakonderdelen te verduidelijken, beschrijf ik deze als een recept voor een flinke ’taakflip’.

Daaronder bespreek ik de gevolgen van een verlofopname voor de jaartaakopbouw, de jaartaakopbouw bij ambulantie en tenslotte de jaartaakopbouw bij de inzet van gespaarde PDI-uren voor een vastgelegd doel (geen verlof).

*In de CAO-PO 2024-2025 zijn de budgetten professionalisering en duurzame inzetbaarheid samengevoegd in het PDI-budget. De oude regels betreffende deze budgetten zijn op één uitzondering na, ongewijzigd gebleven. Zie daarover hieronder meer.
Onderstaande voorbeelden gaan uit van een aanstelling van 40 uur, dus een wtf van 1,0. Om deze om te rekenen naar een kleinere wtf, vermenigvuldig je de genoemde getallen met de betreffende wtf. 

inhoud

De jaartaak OP en OOP met lesondersteunende taken bestaat uit 4 onderdelen

Oorspronkelijk bestond de jaartaak uit vijf onderdelen, maar doordat het budget professionalisering (83 uur) en duurzame inzetbaarheid (40 uur) in de CAO-PO 2024-2025 zijn samengevoegd in het PDI-budget, zijn het er nu dus vier.

Maar alle regelingen betreffende de duurzame inzetbaarheid – extra uren beginnende leerkrachten en een verlofopname duurzame inzetbaarheid, of het sparen hiervan – zijn ongewijzigd gebleven; de enige verandering is dat nu het volledige PDI-budget van 123 uur 3 jaar achtereen gespaard kan worden voor een vastgelegd doel (géén verlof).

Om de berekening van het verlof duurzame inzetbaarheid begrijpelijk te houden, blijven we waar nodig in de berekeningen en toelichtingen binnen het PDI-budget toch een onderscheid maken tussen het professionaliseringsdeel en het duurzame inzetbaarheidsdeel.

De planner voor het schooljaar 2026-2027 zal zijn aangepast aan het “nieuwe” PDI-budget.


Jaartaakopbouw vanaf 2025

De jaarlijkse arbeidsduur van een voltijder is 1659 uur. Voor een jaartaakflip bij een werktijdfactor van 1,0 nemen we daarom een flink glas waarin precies 1659 liter past en dat we als volgt vullen:

  • PDI-budget (Professionalisering en duurzame inzetbaarheid)

We beginnen met een laagje professionalisering van 83 liter; dat is bij wtf 1,0 bij iedereen evenveel. Daarbovenop komt een laagje duurzame inzetbaarheid – dat is bij beginnende leerkrachten 80 liter, daarna tot 57 jaar 40 liter en vanaf 57 jaar 170 (40 + 130) liter. We kiezen in dit recept 123 (83 + 40) liter.

  • Ingeroosterde lesuren

Sinds 2018 is dat maximaal 940 liter, het mag ook wat meer zijn, maar dat kan alleen met instemming van de leerkracht. We doen in dit voorbeeld een laag van precies 940 liter.

  • Voor- en nawerk

Dat hangt af van het binnen de school gekozen opslagpercentage* over de ingeroosterde lesuren, en varieert op de meeste scholen tussen de 35% en 45%. We kiezen in dit voorbeeld 40%, dat is dus over 940 uur gerekend 376 liter.

* In TaakberekeningPO handhaven we de opslagfactor, omdat de in de CAO genoemde bepaling van de verhouding tussen de lestaak, het voor- en nawerk en de overige taken rekenkundig onmogelijk is. Lees daar onderaan deze pagina en hier meer over.
  • Overige (school)taken

Daarmee maken we tenslotte het glas vol. Omdat dit glas in dit voorbeeld tot nu toe met 1439 liter gevuld is, maken we het tot de rand vol met 220 liter (1659 – 1439 = 220) overige taken.


De opbouw van de jaartaak bij wtf 1,0

* Het PDI-budget is het voormalige budget duurzame inzetbaarheid + professionalisering.
**Bij beginnende leerkrachten de eerste drie jaar 163 uur (83 prof.+ 80 d.i.), daarna tot 57 jaar 123 uur (83 + 40), en vanaf 57 jaar 253 uur (83 + 40 + 130 bijzonder budget), waarvan 170 uur als verlof kan worden opgenomen.
 

We hebben slechts invloed op twee van deze taakonderdelen

Zoals je in bovenstaand recept ziet, zijn er in de jaartaak twee onderdelen waarop we wat de omvang betreft, invloed hebben:

  1. De ingeroosterde lesuren – er kunnen meer of minder lesuren zijn ingeroosterd dan de maximale lestaak volgens de aanstelling;
  2. De uren voor het voor- en nawerk – want die uren zijn zowel afhankelijk van het aantal ingeroosterde lesuren als het gekozen opslagpercentage.


Het aantal uren voor het PDI-budget 
ligt, afhankelijk van het salarisnummer en de leeftijd, vast volgens de CAO-PO. Er blijft dus afhankelijk van leeftijd, salarisnummer en aanstelling, bij iedereen na aftrek van het PDI-budget een bepaald aantal uren over om te verdelen over de lestaak, het voor- en nawerk en de overige taken.

 

Lestaak, voor- en nawerk en overige schooltaken vormen waterbed

Na aftrek van het PDI-budget vormen de uren voor de ingeroosterde lestaak en het voor- en nawerk aan de ene kant en die voor de overige taken aan de andere kant een waterbed. Hoe meer lesuren worden ingeroosterd, hoe meer uren er ook berekend worden voor het voor- en nawerk, en hoe minder uren er dus overblijven voor de overige taken. En bij mínder ingeroosterde lesuren dan de maximale lestaak, blijven er in de berekening dus vanzelf méér uren over voor de overige taken.

 

Hieronder twee voorbeelden van de invloed van de opslagfactor op het overblijvend aantal uren voor de overige taken.

 

Bij 940 ingeroosterde lesuren en een opslagfactor van 40%, blijven er 220 uren over voor de overige taken.
 

Bij een opslagfactor van 45%, blijven er 173 uren over voor de overige taken.
 

Als er méér lesuren zijn ingeroosterd zoals in het voorbeeld hieronder, worden er vanzelf ook méér uren voor het voor- en nawerk berekend en blijven er dus mínder uren over voor de overige taken en omgekeerd.

De jaartaak bij 954 ingeroosterde lesuren. Omdat er iets meer lesuren zjn ingeroosterd, zijn er ook meer uren berekend voor het voor- en nawerk en blijven er vanzelf minder uren over voor de overige taken.

De jaartaakopbouw van ambulante leerkrachten

Ambulante of gedeeltelijk ambulante leerkrachten geven geen of minder les. Hierdoor blijven er heel veel uren over voor de overige taken.

Zoals je in het voorbeeld hieronder ziet is bij ambulantie het label overige taken vanzelf veranderd in overige & amb.(ulante) taken, omdat deze overblijvende uren zowel voor de overige taken als de ambulante functietaken zijn berekend en daarom handmatig over deze twee taken moeten worden verdeeld.

Onderin rubriek K kun je nu het aantal uren invullen dat bestemd is voor de ambulante functietaken. Het aantal uren dat dan nog overblijft, is dan bestemd voor de overige taken. Zie het voorbeeld en de tip hieronder.

In dit voorbeeld is een voltijder op de donderdag en vrijdag ambulant. Het aantal overblijvende uren voor de overige/ambulante taken is 766 (zie rubriek J). Onderaan rubriek K is het aantal uren (566) voor de functietaken ingevuld, zodat er 200 uur overblijft voor de overige taken. Om te weten hoeveel uren voor de overige taken ongeveer moeten overblijven, kijk je naar het aantal uren dat een nietambulante leerkracht heeft met eenzelfde aanstelling – zie ook de tip hieronder.
Tip: Klik op het invoerformulier van deze ambulante leerkracht de ambulante dagdelen ook als lesdagdelen aan (je hoeft de ambulante dagdelen in de derde kolom niet eerst weg te klikken, want deze worden dan vanzelf genegeerd) en noteer het aantal uren dat dan voor de overige taken is berekend. Vergeet daarna niet die lesdagdelen weer weg te klikken.
Trek nu dit voor de overige taken berekend aantal uren af van het in rubriek J berekend aantal uren. Het overblijvend aantal uren is bestemd voor de ambulante functietaken en vul je onderaan rubriek K in. De uren voor de overige taken (in rubriek K en op de tweede pagina van het teamlidblad) zijn nu automatisch aangepast naar 200.

De jaartaakopbouw bij een opname overig verlof

Bij een opname van het overig verlof, zoals een ouderschapsverlof, worden de (arbeids)uren van het verlof afgetrokken van de jaarlijkse arbeidsduur; de beschikbare uren voor de jaartaak wordt door de verlofopname dus kleiner!

Dit betekent niet alleen dat er afhankelijk van de dagen waarop het verlof wordt opgenomen minder lesuren worden gegeven (en minder uren voor het voor- en nawerk nodig zijn), maar dat er door de kleinere jaartaak ook minder PDI- en overige takenuren overblijven.

Wanneer je op het teamlidblad onderaan rubriek J de verlofopname invult (zie voorbeeld hieronder), worden de nieuwe uren voor bovengenoemde taakonderdelen vanzelf herberekend en naast het betreffende taakonderdeel getoond. Ook op het activiteitenoverzicht op de tweede pagina van het teamlidblad worden deze uren dan automatisch aangepast.

In dit voorbeeld waarin een voltijder aanvankelijk 940 lesuren is ingeroosterd, zijn 435 uren ouderschapsverlof opgenomen en onderaan rubriek J  ingevuld. De uren voor de taakonderdelen PDI en overige taken zijn nu automatisch opnieuw berekend en worden naast het taakonderdeel getoond.
   De lesuren en uren voor het voor- en nawerk worden niet opnieuw berekend, omdat het aantal lesuren dat uitvalt afhankelijk is van de weekdagen waarop het verlof wordt opgenomen. De lesuren die binnen het verlof vallen worden eenvoudigweg niet gegeven en de bijbehorende uren voor het voor- en nawerk niet benut, en behoeven dus ook niet berekend te worden.
Let erop dat het invullen van de verlofopname in rubriek K niet geldt voor een verlofopname duurzame inzetbaarheid; een verlofopname duurzame inzetbaarheid heb je immers al op het invoerformulier ingevuld, waardoor de opbouw van de overblijvende jaartaak al juist is berekend! Zie hierover ook de paragraaf hieronder.

Jaartaakopbouw en het PDI-budgetdeel duurzame inzetbaarheid

Teamleden van 57 jaar of ouder krijgen een bijzonder PDI-budget van 130 uur (deeltijders naar rato van hun aanstelling) bij het gewone PDI-budget van 123 uur, en kunnen dan maximaal 170 uur (40 + 130) geheel of gedeeltelijk sparen en/of als verlof opnemen. Dit verlof kan zowel geclusterd als in herkenbare dagdelen worden opgenomen.

De PDI-verlofopname vul je altijd in op het invoerformulier van het teamlid
Een PDI- duurzame inzetbaarheid verlofopname is het enige verlof dat je invult op het invoerformulier van het tamlid. Na invulling wordt de nieuwe jaartaak dan op de juiste manier berekend, waarbij (zoals de CAO-PO voorschrijft) het budget PDI-professionalisering ongewijzigd blijft, dus even groot blijft als vóór de verlofopname.

De jaartaakopbouw wanneer het budget van 170 uur niet wordt ingezet of gespaard
Als dit verlof niet wordt opgenomen of gespaard, ziet de jaartaak er zo uit:

Merk op dat door het grote aantal uren voor het budget PDI, er nu nog maar 90 uur overblijft voor de overige taken.
 

De jaartaakopbouw wanneer het budget wordt gespaard

Wanneer het budget niet als verlof wordt opgenomen, kan het (zie hieronder) ook geheel of gedeeltelijk worden gespaard. De maximale lestaak blijft gedurende de spaarperiode onveranderd 940 uur (aan de jaarlijkse arbeidsduur verandert nu immers nog niets!), en door het wegvallen van de uren van het PDI-budgetdeel duurzame inzetbaarheid, wordt het aantal overblijvende uren voor de overige taken groter.

Wanneer de uren van het PDI-budgetdeel duurzame inzetbaarheid gespaard worden, blijft de jaartaak onveranderd 1659 uur en blijven er dus vanzelf méér uren over voor de overige taken.

Het PDI-budget (deels) opnemen als verlof

Na een PDI-verlofopname blijft volgens de CAO-PO het oorspronkelijk aantal uren voor het PDI-deel professionalisering ongewijzigd, in dit voorbeeld bij wtf 1,0 dus 83 uur. De nieuwe maximale lestaak (844 uur) wordt berekend over de nieuwe netto arbeidsduur, in dit voorbeeld 1489 uur. Zie hieronder daarvover meer.

Het gespaarde budget als verlof opnemen
Het PDI-budgetdeel duurzame inzetbaarheid kan maximaal 5 jaar gespaard worden. Daarna kan bij wtf 1,0 vijf jaar achtereen maximaal 340 uur verlof worden opgenomen: 170 uur (40 + 130 bijzonder budget) gespaard en 170 uur in het betreffende verlofopnamejaar. Wanneer dus vanaf 57 jaar vijf jaar wordt gespaard, kan vanaf 62 tot 67 jaar een dubbel verlof worden opgenomen.

Bij opname van 340 uur PDI-verlof wordt de nieuwe maximale lestaak 747 uur en blijven er nog 190 uur over voor de overige taken.

De berekening van de maximale lestaak na een verlofopname
Wanneer het PDI-budgetdeel duurzame inzetbaarheid geheel of gedeeltelijk als verlof wordt opgenomen, blijft volgens de CAO-PO het PDI-budgetdeel professionalisering ongewijzigd – bij wtf 1,0 dus 83 uur. 

Over hoe de uren dan verder over de jaartaakonderdelen lestaak, voor- en nawerk en overige taken moeten worden verdeeld, is de CAO, om het voorzichtig uit te drukken, niet erg duidelijk.*

Tot en met de planner 2025/2026 is bij de berekening van de nieuwe maximale lestaak door het gelijkblijvend aantal uren voor het PDI-budgetdeel professionalisering, rekening gehouden met de hierdoor veranderde verhouding tussen de overige taakonderdelen. Dit leidde tot een iets kleinere maximale lestaak (839 uur) dan bij leerkrachten < 57 jaar met een gelijke arbeidsduur van 1489 uur.

Om dit verschil op te heffen, wordt vanaf versie 2526 – 2.0, de maximale lestaak bij verlofopnemers, op dezelfde manier berekend als bij leerkrachten jonger dan 57 jaar met een gelijke arbeidsduur, in dit voorbeeld dus 1489 uur (wtf 0,8975).

* In de CAO staat hierover in artikel 9.6.6:
‘Als de werknemer kiest voor de inzet voor verlof van de uren genoemd in het eerste en eventueel vierde lid, kan de werknemer deze uren inzetten op een herkenbare wijze in dagdelen, zolang voor de categorie OP en OOP met lesgebonden en/of behandeltaken de urenverdeling wordt gebaseerd op de verhouding lesuren, voor- en nawerk, lesgebonden en/of behandeltaken en overige taken.’
Onderstaand overzicht verduidelijkt de berekeningswijze in de planner

De berekening in de vierde kolom (voltijder die 170 uur verlof opneemt) is als volgt:

  • De nieuwe arbeidsduur wordt 1659 – 170 uur verlof = 1489 uur (de nieuwe virtuele wtf is dus 0,8975). Daarvan zijn 83 uur gereserveerd voor het resterende PDI-budgetdeel professionalisering.
  • De nieuwe maximale lestaak wordt nu berekend op basis van de (virtueel kleinere) wtf 0,8975 (0,8975 x 940 = 844 uur).
  • Op basis van de afgesproken opslagfactor worden dan vervolgens de uren voor het voor- en nawerk berekend, en de dan nog overblijvende uren zijn bestemd voor de overige taken.
Bij deeltijders gebeurt deze berekening naar rato van de aanstelling, en in alle gevallen geldt dat de uiteindelijke berekening altijd gebeurt op basis van het daadwerkelijk aantal ingeroosterde lesuren! Bovenstaande berekeningsvoorbeelden zijn gebaseerd op een volledige inroostering van de maximale lestaak.

Merk op dat het aantal overblijvend aantal uren voor de overige taken bij de verlofopnemer groter is dan bij de jongere leerkracht met gelijke arbeidsduur. Dit komt natuurlijk doordat bij de verlofopnemer 27 uur minder PDI-budget wordt berekend, waardoor het resterend aantal uren voor de overige taken bij de verlofopnemer vanzelf 27 uur groter wordt.

Inzet basisbudget, bijzonder budget en eigen bijdrage
Als het bijzonder budget als verlof wordt opgenomen, moet daarover een eigen bijdrage worden betaald van 40 tot 50%. Alleen wanneer het bijzonder budget in zijn geheel als verlof wordt opgenomen, kan ook het basisbudget (bij wtf 1,0: 40 uur) zonder eigen bijdrage als verlof worden ingezet.

De inzet van het spaarsaldo PDI

Sinds de samenvoeging in de CAO-PO 2024/2025 van het budget duurzame inzetbaarheid en professionalisering in het PDI-budget, kan dit PDI-budget in zijn geheel maximaal drie jaar worden gespaard voor een vooraf afgesproken doel (geen verlof).

 

De jaartaak in een spaarjaar

Wanneer in een jaar het volledige PDI-budget gespaard wordt, zullen er in dat jaar meer uren (343 uur!) overblijven voor de overige taken (zie bovenstaand voorbeeld).

 

De jaartaak in het jaar van opname

Wanneer bij wtf 1,0 drie jaar lang 123 uur gespaard wordt, kunnen dus in het vierde jaar in totaal 492 (369 + 123) PDI-uren worden ingezet. Wanneer in dat jaar net als in de voorgaande jaren 940 lesuren worden ingeroosterd, zal dan een negatief aantal uren voor de overige taken worden berekend. Dit negatieve getal is het aantal uren waarmee de jaartaak van 1659 uur wordt overschreden. De enige manier om dit te corrigeren is het uitroosteren van lesuren.

In het voorbeeld hierboven zijn na inzet van het PDI-spaarsaldo 149 arbeidsuren teveel ingeroosterd. Het rode deel in de cirkel is dus het deel waarmee de cirkel van 1659 uur is overschreden.

 

Door twee lesmiddagen uit te roosteren (doe dit uitroosteren van héle dagdelen niet op het teamlidblad, maar via het invoerformulier op het formatieoverzicht, zodat de uitgeroosterde lesdagdelen ook op het formatieoverzicht als lesdagdelen zijn uitgeschakeld en als ambulante dagdelen zijn ingeschakeld) blijven nu nog 69 uren voor noodzakelijke overige taakuren over zoals bijv. vergaderingen. Wil je méér uren voor de overige taken vrijmaken dan zul je dus meer lesdagdelen (of uren) moeten uitroosteren en als ambulant invullen.

Je moet er dus rekening mee jouden dat bij bij zowel voltijders als deeltijders die na drie jaar sparen het volledige spaarsaldo opnemen, lesuren zullen moeten worden uitgeroosterd om te voorkomen dat de jaarlijkse arbeidsduur wordt overschreden.

Lees hier meer over het PDI-sparen bij het OP en OOP

Het bepalen van de verhouding tussen de ingeroosterde lesuren en de overige taken

Vanaf de CAO-PO 2018 wordt de opslagfactor niet meer genoemd en staat er (CAO-PO: 2.2.7) dat ‘het team de verhouding bepaalt tussen de lesuren en de overige taken én ook nog eens  ‘het aantal uren voor het voor- en nawerk’ bepaalt.

Na bovenstaande begrijp je dat dit rekenkundig gezien onzin is en je de opslagfactor gewoon moet handhaven*.

*Wat opvalt is dat de AOB sinds 2025 in verschillende toelichtingen en voorbeelden ook gewoon weer spreekt van de opslagfactor. Kennelijk is nu (na 7 jaar!) ook daar het kwartje gevallen.

Lees
hier waarom je de opslagfactor in ere moet houden.

De opbouw van de jaartaak van het OOP zonder lesondersteunende of behandeltaken

   De jaartaak van het OOP zonder lesondersteunende taken bestaat uit twee taakonderdelen:
  1. PDI-budget
  2. De werkzaamheden
Lees hier meer over de jaartaakberekening van het OOP zonder lesondersteunende taken.

2 reacties

  1. Hoeveel uren lestaken staan er voor OOP met lesondersteunende taken bij een werktijdfactor van 0,5? Opslagfactor is 20% bij mijn school.

  2. Beste Ciska, voor het OOP met lesondersteunende taken geldt dezelfde maximale les(ondersteunende)taak als voor het OP. In jouw geval dus 0,5 x 940 = 470 uur. Bij een opslagpercentage van 20% heb je voor het voor- en nawerk dan 94 uur (0,2 x 470). Voor PDI heb je 0,5 x 123 = 62 uur (afgerond)
    Je totale jaartaak is 0,5 x 1659 uur = 830 uur. In dit voorbeeld houd je dus 204 uur over voor de overige taken. Als je minder les(ondersteunende) uren bent ingeroosterd, dan houd je wat méér uren over voor de overige taken.

Vragen of reageren? Plaats hier je vraag/reactie.