Hoe bepaal je de uren voor het voor- en nawerk?

Na 2018 werd in de CAO-PO niet meer gesproken over de opslagfactor en ‘bepaalde het team voortaan de urenverhouding tussen de lestaak en de overige taken, én ook nog eens de uren van het voor- en nawerk‘ (CAO-PO:  2.2.7).
Wie het verband tussen de vier jaartaakonderdelen begrijpt, begrijpt ook dat bovenstaande afspraken rekenkundig gezien niet onafhankelijk van elkaar gemaakt kunnen worden.
In de nieuwste CAO-PO 2025-2027 heeft men dit zeven jaar later kennelijk ook ingezien en wordt de opslagfactor weer genoemd, maar erg duidelijk is het nog steeds niet.
Inhoud

De toelichting op het voor- en nawerk en de opslagfactor in de CAO-PO

Wat wél of níet tot het voor- en nawerk moet worden gerekend is kennelijk zo’n brandende vraag dat dit in de laatste CAO in een toelichting nader is uitgewerkt. Deze toelichting vind je onderaan.

geen argumentatie bij het onderscheid

Opvallend is dat bij het vaststellen van het onderscheid geen enkele argumentatie wordt gegeven.
Dat zou ook niet meevallen, want leg maar eens uit waarom het voorbereiden van lessen wél tot het voor- en nawerk moet worden gerekend, maar het maken van een weekplanning niet?
En waarom is het nakijken van toetsen wél nawerk, maar het bedenken en maken van een toets géén voorwerk?

met het gebruik van een opslagfactor kan de school zelf werkzaamheden toevoegen

In de toelichting staat dat bij het gebruik van een opslagfactor je als team zélf werkzaamheden kunt toevoegen aan het voor- en nawerk.
Nog afgezien van de vraag hoe je de tijd voor het voor- en nawerk ook zónder opslagfactor zou kunnen vaststellen, kun je je afvragen wat deze toelichting dan eigenlijk toevoegt, want aan de discussie over de hoogte van de opslagfactor draagt dit niets bij.

De grootte van de opslagfactor

Het zal duidelijk zijn dat de grootte van de opslagfactor samenhangt met het aantal werkzaamheden dat je onder het voor- en nawerk laat vallen. De hieronderstaande toelichting in de CAO-PO voegt daar weinig aan toe, want er zijn geen objectieve maatstaven bij de vaststelling van de grootte van de opslagfactor.

broekzak-vestzakverhaal

Wanneer een activiteit als niet behorend tot het voor- en nawerk wordt bestempeld, verdwijnt deze niet en zal het moeten worden ondergebracht bij de overige taken. Hoe minder tot het voor- en nawerk wordt gerekend, hoe meer tijd men dus nodig heeft voor de overige taken, en omgekeerd.
Uiteindelijk blijft het dus een broekzak-vestzakverhaal.

laat zoveel mogelijk onder het voor- en nawerk vallen en pas de opslagfactor daarop aan

Het wordt erg omslachtig wanneer we allerlei activiteiten die voor de meesten toch echt wel samenhangen met de eigen lestaak, uit te gaan splitsen en compleet met bijbehorende uren* stuk voor stuk in rubriek B als overige taak te vermelden.
Mijn advies is daarom het voor- en nawerk zo ruim mogelijk te formuleren en daar dan ook een ruime opslagfactor aan toe te kennen.

* Deze uren zullen dan ook nog eens moeten variëren, omdat ze moeten samenhangen met de omvang van de lestaak!

De hoogte van de opslagfactor

De hoogte van de opslagfactor, de verhouding in uren tussen de lestaak en het voor- en nawerk dus, stelt de school zelf vast. Er is geen objectieve norm voor, maar ligt op de meeste scholen tussen de 35 en 45%, maar een hoger percentage van 50% zou bij een ruimere interpretatie van wat bij het voor- en nawerk hoort, ook een optie kunnen zijn.

individueel een andere opslagfactor

Voor het OOP met lesondersteunende taken kan daarbij eventueel een wat kleinere opslagfactor worden afgesproken, waardoor het overblijvend aantal uren voor de overige taken bij hen wat groter is. Deze afwijkende opslagfactor vul je op het betreffende teamlidblad (in rubriek J) in.
Indien nodig, kan daar ook een grótere opslagfactor worden ingevuld. Op deze manier kan een beginnende leerkracht of een leerkracht met een ingewikkelder lestaak meer tijd voor het voor- en nawerk krijgen. Bij hen blijft dan vanzelf wat minder tijd over voor de overige taken*.

*Dit wordt soms verkeerd begrepen als minder tijd krijgen voor dezelfde overige taken. Maar minder tijd voor overige taken betekent automatisch ook minder overige taken natuurlijk.


Zie onderstaande voorbeelden.

de opbouw van de jaartaak

In deze jaartaakberekening is de reguliere opslagfactor over de ingeroosterde lesuren (op het werkblad lesurenberekening) op 40% gesteld en zijn er 376 uur bestemd voor het voor- en nawerk en blijven er 220 uren voor de overige taken.

Op dit teamlidblad is de (individuele) opslagfactor op 45% gesteld en is de tijd voor het voor- en nawerk nu 423 uur, en blijft er nog 173 uur over voor de overige taken.

Toelichting op het voor- en nawerk in de CAO-PO 2025-2027, blz 92 en 93

Artikel 1.1 (definities) en artikel 2.2 lid 7 Werkverdelingsplan

De onderstaande beschrijving van het voor- en nawerk is een hulpmiddel om het gesprek hierover te vereenvoudigen/concretiseren. Het team kan in goed overleg werkzaamheden toevoegen aan het voor- en nawerk.

Voor- en nawerk

Voor- en nawerk is (1) het voorbereiden van lessen en (2) het nakijken van toetsen en opdrachten waaronder begrepen (3) de administratieve verwerking daarvan. 

1. Onder het voorbereiden van lessen valt:

  • Het wekelijks of dagelijks voorbereiden van de lessen en/of het ontwerpen van activiteiten, die daarna worden gegeven en/of uitgevoerd.
Er niet onder vallen:
  • Het maken van een jaar- en weekplanning voor de lessen
  • Het ontwikkelen, implementeren en eigen maken van een nieuwe methode
    Het ontwikkelen van 
    eigen lesmateriaal.
 

2. Onder het nakijken van toetsen en opdrachten valt :

  • Het nakijken van het gemaakte leerlingwerk. 
Er niet onder vallen:
  • Het ontwikkelen van de toetsen en/of het bedenken van de opdrachten.
 

 3. Onder de administratieve verwerking van de nagekeken toetsen en opdrachten wordt begrepen:

  • Het invoeren van de toetsuitslagen (en van de beoordelingen van de gemaakte opdrachten) in de daarvoor bedoelde administratie.
  • Het analyseren van de resultaten van de groep en de individuele leerlingen van uitsluitend die toets (dus de analyse van die specifieke toets). 
Er niet onder vallen:
  • De analyse van de ontwikkeling van de resultaten (groep en individuele leerling) door de tijd, weergegeven in een aantal toetsresultaten;
  • Het schrijven of aanpassen van groepsplannen en/of individuele plannen.
 
Opslagfactor

Een opslagfactor is een percentage van de lesgevende taken voor werkzaamheden van de leraar die daar direct aan verbonden zijn. Te denken valt aan de werkzaamheden zoals voor- en nawerk, en/of andere werkzaamheden die het team in goed overleg onder de opslagfactor laat vallen.

Vragen of reageren? Plaats hier je vraag/reactie.