Over het voor- en nawerk moet volgens de laatste CAO-PO in het werkverdelingsplan het volgende worden geregeld:
twee soorten voor- en nawerk?
In bovenstaande lijkt het of je het voor- en nawerk zónder of mét een opslagfactor kunt bepalen. En in het geval dat je een opslagfactor gebruikt, moet dan tevens worden afgesproken wat daaronder valt en welke factoren meewegen bij de bepaling van de hoogte van de opslagfactor, terwijl dat wanneer je geen opslagfactor gebruikt kennelijk niet hoeft.
aantal uren voor het voor- en nawerk moet altijd in verhouding staan tot de ingeroosterde lesuren
Maar aangezien het aantal uren voor het voor- en nawerk altijd in verhouding moet staan tot het aantal uren van de ingeroosterde lestaak, moet er dus altijd een urenverhouding tussen de lestaak en het voor- en nawerk worden afgesproken. En die verhouding druk je uit in twee verhoudingsgetallen of met een opslagfactor, want een opslagfactor komt natuurlijk op hetzelfde neer als een verhouding*.
Dus hoe de tijd voor het voor- en nawerk zonder opslagfactor kan worden bepaald, blijft nog steeds raadselachtig.
In de laatste versie van de nieuwste CAO-PO wordt het voor- en nawerk en de opslagfactor nader toegelicht. Hierbij wordt wat wel en niet tot het voor- en nawerk moet worden gerekend preciezer beschreven.
Hieronder wat er in de CAO-PO over staat:
De onderstaande beschrijving van het voor- en nawerk is een hulpmiddel om het gesprek hierover te vereenvoudigen/concretiseren. Het team kan in goed overleg werkzaamheden toevoegen aan het voor- en nawerk.
Voor- en nawerk is (1) het voorbereiden van lessen en (2) het nakijken van toetsen en opdrachten waaronder begrepen (3) de administratieve verwerking daarvan.
1. Onder het voorbereiden van lessen valt:
3. Onder de administratieve verwerking van de nagekeken toetsen en opdrachten wordt begrepen:
Er niet onder vallen:
Een opslagfactor is een percentage van de lesgevende taken voor werkzaamheden van de leraar die daar direct aan verbonden zijn. Te denken valt aan de werkzaamheden zoals voor- en nawerk, en/of andere werkzaamheden die het team in goed overleg onder de opslagfactor laat vallen.
In het deel boven het kopje opslagfactor wordt minitieus beschreven wat wel of niet onder het voor- en nawerk valt. Opvallend is dat hierbij geen enkele argumentatie wordt gegeven.
Dat zou ook niet meevallen, want het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de werkzaamheden die wel of niet tot het voor- en nawerk moeten worden gerekend, is volkomen onlogisch en arbitrair.
Grappig genoeg stelt het laatste stukje over de opslagfactor alles weer op losse schroeven, want bij gebruik van een opslagfactor – alsof het ook zonder opslagfactor zou kunnen – valt te denken aan ‘werkzaamheden als het voor- en nawerk en/of andere werkzaamheden die het team in goed overleg onder de opslagfactor laat vallen‘.
Hoera! Dus vergeet alle onzin hierboven maar over wat wel of niet tot het voor- en nawerk moet worden gerekend. Bij het gebruik van de opslagfactor bepaalt het team in goed overleg immers zelf wat wel of niet onder die opslagfactor valt zoals voor- en nawerk (ja, dat staat er echt!) en/of andere werkzaamheden.
Over wat wel of niet tot het voor- en nawerk moet worden gerekend is dus discussie mogelijk en waterdichte afspraken daarover zijn er in de praktijk eigenlijk niet te maken.
Grofweg kun je stellen dat alle werkzaamheden die gerelateerd zijn aan de eigen groep tot het voor- en nawerk behoren, en alles wat dat overstijgt tot de overige (school)taken.
Maar grensgevallen bij die vaststellling zullen er blijven. Bij een wat ruimere interpretatie van wat bij het voor- en nawerk hoort, past uiteraard een wat hogere opslagfactor. In dat geval blijven er vanzelf minder uren over voor de overige (school)taken, waardoor het uiteindelijk toch een broekzak-vestzakverhaal blijft.
In onderstaande twee voorbeelden van de jaartaakopbouw is de samenhang te zien tussen de uren van de ingeroosterde lestaak, het voor- en nawerk en de overige taken.


De hoogte van de opslagfactor
De hoogte van de opslagfactor, de verhouding in tijd tussen de lestaak en het voor- en nawerk dus, stelt de school zelf vast. Er is geen norm voor, maar ligt op de meeste scholen tussen de 35 en 45%, maar een hoger percentage van 50 tot 55% zou bij een ruimere interpretatie van wat bij het voor- en nawerk hoort, zeker een optie kunnen zijn.
Voor het OOP met lesondersteunende taken kan daarbij eventueel een wat kleinere opslagfactor worden afgesproken, waardoor het overblijvend aantal uren voor de overige taken bij hen wat groter is. Deze afwijkende opslagfactor vul je op het betreffende teamlidblad (in rubriek J) in.
Indien nodig, kan daar ook een grótere opslagfactor worden ingevuld. Op deze manier kan een beginnende leerkracht of een leerkracht met een ingewikkelder lestaak meer tijd voor het voor- en nawerk krijgen. Bij hen blijft dan vanzelf wat minder tijd over voor de overige taken, en dat is ook precies de bedoeling.