Wat wél of níet tot het voor- en nawerk moet worden gerekend is kennelijk zo’n brandende vraag dat dit in de laatste CAO in een toelichting nader is uitgewerkt. Deze toelichting vind je onderaan.
Opvallend is dat bij het vaststellen van het onderscheid geen enkele argumentatie wordt gegeven.
Dat zou ook niet meevallen, want leg maar eens uit waarom het voorbereiden van lessen wél tot het voor- en nawerk moet worden gerekend, maar het maken van een weekplanning niet?
En waarom is het nakijken van toetsen wél nawerk, maar het bedenken en maken van een toets géén voorwerk?
In de toelichting staat dat bij het gebruik van een opslagfactor je als team zélf werkzaamheden kunt toevoegen aan het voor- en nawerk.
Nog afgezien van de vraag hoe je de tijd voor het voor- en nawerk ook zónder opslagfactor zou kunnen vaststellen, kun je je afvragen wat deze toelichting dan eigenlijk toevoegt, want aan de discussie over de hoogte van de opslagfactor draagt dit niets bij.
Het zal duidelijk zijn dat de grootte van de opslagfactor samenhangt met het aantal werkzaamheden dat je onder het voor- en nawerk laat vallen. De hieronderstaande toelichting in de CAO-PO voegt daar weinig aan toe, want er zijn geen objectieve maatstaven bij de vaststelling van de grootte van de opslagfactor.
Wanneer een activiteit als niet behorend tot het voor- en nawerk wordt bestempeld, verdwijnt deze niet en zal het moeten worden ondergebracht bij de overige taken. Hoe minder tot het voor- en nawerk wordt gerekend, hoe meer tijd men dus nodig heeft voor de overige taken, en omgekeerd.
Uiteindelijk blijft het dus een broekzak-vestzakverhaal.
Het wordt erg omslachtig wanneer we allerlei activiteiten die voor de meesten toch echt wel samenhangen met de eigen lestaak, uit te gaan splitsen en compleet met bijbehorende uren* stuk voor stuk in rubriek B als overige taak te vermelden.
Mijn advies is daarom het voor- en nawerk zo ruim mogelijk te formuleren en daar dan ook een ruime opslagfactor aan toe te kennen.
De hoogte van de opslagfactor, de verhouding in uren tussen de lestaak en het voor- en nawerk dus, stelt de school zelf vast. Er is geen objectieve norm voor, maar ligt op de meeste scholen tussen de 35 en 45%, maar een hoger percentage van 50% zou bij een ruimere interpretatie van wat bij het voor- en nawerk hoort, ook een optie kunnen zijn.
Voor het OOP met lesondersteunende taken kan daarbij eventueel een wat kleinere opslagfactor worden afgesproken, waardoor het overblijvend aantal uren voor de overige taken bij hen wat groter is. Deze afwijkende opslagfactor vul je op het betreffende teamlidblad (in rubriek J) in.
Indien nodig, kan daar ook een grótere opslagfactor worden ingevuld. Op deze manier kan een beginnende leerkracht of een leerkracht met een ingewikkelder lestaak meer tijd voor het voor- en nawerk krijgen. Bij hen blijft dan vanzelf wat minder tijd over voor de overige taken*.
Zie onderstaande voorbeelden.


Toelichting op het voor- en nawerk in de CAO-PO 2025-2027, blz 92 en 93
De onderstaande beschrijving van het voor- en nawerk is een hulpmiddel om het gesprek hierover te vereenvoudigen/concretiseren. Het team kan in goed overleg werkzaamheden toevoegen aan het voor- en nawerk.
Voor- en nawerk is (1) het voorbereiden van lessen en (2) het nakijken van toetsen en opdrachten waaronder begrepen (3) de administratieve verwerking daarvan.
1. Onder het voorbereiden van lessen valt:
2. Onder het nakijken van toetsen en opdrachten valt :
3. Onder de administratieve verwerking van de nagekeken toetsen en opdrachten wordt begrepen:
Een opslagfactor is een percentage van de lesgevende taken voor werkzaamheden van de leraar die daar direct aan verbonden zijn. Te denken valt aan de werkzaamheden zoals voor- en nawerk, en/of andere werkzaamheden die het team in goed overleg onder de opslagfactor laat vallen.