Allereerst moet je je goed realiseren dat de inroostering van de werkdagen niets te maken heeft met de werkverdeling, want bij de werkverdeling worden de taken en activiteiten over het team verdeeld, en bij het inroosteren van de werkdagen* gaat het alleen om wanneer iedereen op school aanwezig is.
Een werkdag kan daarom misschien beter een ‘op-school-dag’ worden genoemd, want de hoeveelheid werk wordt bepaald door de activiteiten en taken die je krijgt toebedeeld volgens het werkverdelingsplan en niet door het aantal ‘werkdagen’!
Het is dan ook helemaal fout wanneer, zoals nog steeds op veel scholen gebeurt, een overmatig aantal ingeroosterde lesuren of veel meer toebedeelde overige taken dan passen binnen de tijd die daarvoor beschikbaar is, wordt ‘gecompenseerd’ door een aantal dagen ‘eerder naar huis te mogen gaan’ (sic) of een paar extra vrije dagen in te roosteren.
Eerder naar huis mogen gaan of een paar extra vrije dagen, veranderen natuurlijk helemaal niets aan de afgesproken hoeveelheid werk aan lesuren, voor- en nawerk en overige taken!
Omdat de werkverdeling los staat van het aantal dagen dat men op jaarbasis op school, is het dan ook niet noodzakelijk dat de volledige arbeidsduur in op-school-dagen wordt ingeroosterd. Op basis van een 40-urige werkweek kan dat ook niet altijd, want in de doorgaans 38 á 39 schoolweken plus enkele dagen in de zomervakantie, kan de arbeidsduur van 1659 uur van een voltijder nooit volledig in werkdagen worden ingeroosterd.
Dat is echter geen enkel probleem want het meer of minder inroosteren van op-school-dagen verandert voor een voltijder helemaal niets aan volgens het werkverdelingplan toebedeelde hoeveelheid werk.
En wanneer het bij voltijders geen probleem is wanneer niet alle arbeidsuren volgens de aanstelling in werkdagen worden ingeroosterd, is het dat ook niet bij deeltijders. Het inroosteringspercentage van de voltijder (meestal rond de 96% van 1659 uur) kan dan als referentiepunt bij de deeltijders dienen. Een inroosteringspercentage van de arbeidsuren in werkdagen tussen 96 en 100%, is dan ook bij deeltijders aanvaardbaar.
Om het ‘probleem’ van de nietingeroosterde arbeidsuren ‘op te lossen’, wordt soms gerekend met een werkweek van 42 uur. Dit is echter geen goed idee. Ten eerste is het, zoals hierboven al gezegd, helemaal niet nodig dat per se álle arbeidsuren in werk- of op-school-dagen plaats- en tijdgebonden worden ingeroosterd; veel werk is namelijk helemaal niet plaats- en tijdgebonden. Ten tweede blijft de 40-urige werkweek de maatstaf bij benoemingen (en dus het salaris), en wordt ook een verlof in de arbeidsuren van de 40-urige werkweek berekend (één week verlof ‘kost’ dus 40 uur).
We blijven bij de berekening van de ingeroosterde arbeidsuren in op-school-dagen dus uitgaan van de 40-urige werkweek. Het enige wat we binnen de school moeten afspreken is hoe we die veertig uren over de weekdagen verdelen.
De gekozen verdeling geldt voor iedereen, ook voor teamleden met een ‘oude’ benoeming van vóór 2014. Op basis van de arbeidsuren per werkdag kan de planner nu aan de hand van de ingeroosterde werkdagen berekenen hoeveel arbeidsuren er in op-school-dagen zijn ingeroosterd en hoe zich die aanwezigheid op school verhoudt tot de arbeidsduur volgens de aanstelling.
De gekozen verdeling van de arbeidsuren over de weekdagen vul je in op het werkblad lesurenberekening. Wanneer bij benoemingen 8 uur per dag wordt gerekend, dan is het wel zo logisch deze verdeling in het verdeelschema ook aan te houden. Maar wordt er bij benoemingen rekening gehouden met korte en lange lesdagen, dan houd je een verdeling aan van bijvoorbeeld 8:30* per lange dag en 6:00 uur voor een korte dag.
De verdeling over de ochtend en de middag kun je verder laten afhangen van de ochtend- en middaglestijd. Deze verdeling over de ochtend en middag is alleen van belang wanneer de arbeidsuren van dagdelen moeten worden in- of uitgeroosterd.

Over de – verlangde – aanwezigheid op een studiedag die bij een deeltijder niet op zijn/haar vaste werkdagen valt, is vaak veel discussie. Vaak vinden deeltijders het onredelijk wanneer hen gevraagd wordt op zo’n dag toch aanwezig te zijn; het voelt als een extra werkdag waarvoor zij niet betaald worden.
Op de jaartaakberekening is nu echter duidelijk te zien dat een paar extra werkdagen in de zomervakantie en het bijwonen van enkele studiedagen die niet op een vaste werkdag vallen, in de meeste gevallen best verlangd kunnen worden omdat zij passen binnen de jaarlijkse arbeidsduur.
Alleen bij deeltijders die gezien hun vaste werkdagen eigenlijk een te kleine aanstelling hebben, kan het gebeuren dat door de ‘extra’ inroostering’ hun jaarlijkse arbeidsduur volgens de aanstelling wordt overschreden. In dat geval is extra uitbetaling van deze dagen, of beter nog een iets grotere aanstelling, de enige oplossing.
Het mes snijdt dus aan twee kanten: enerzijds is het bij deeltijders in de meeste gevallen nu voor iedereen duidelijk dat in de meeste gevallen deze ‘extra’ ingeroosterde dagen gewoon binnen hun aanstelling passen, en anderzijds, wanneer dat dat niet zo is, deze deeltijders – in sommige gevallen zelfs al alleen voor hun vaste werkdagen – gewoon een te kleine aanstelling hebben in verhouding tot hun ingeroosterde werkdagen.